Erfgoedbeleid en wetgeving rijk

 

Wettelijk kader

De zorgplicht voor het onroerend erfgoed is uitgewerkt in de Monumentenwet 1988 en in de wijziging hierop; de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, 2007). Een deel van de Monumentenwet is per 1 juli 2016 opgegaan in de Erfgoedwet. Het overige deel zal te zijner tijd opgaan in de Omgevingswet. Tot die tijd blijven die artikelen die niet zijn overgegaan naar de Erfgoedwet van kracht zoals ze in de Monumentenwet van 1988 zijn benoemd.

Monumentenwet 1988

Erfgoedwet

Overgangsrecht Monumentenwet 1988 naar Omgevingswet, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

De Wamz vormde de implementatie van het Verdrag van Malta dat in 1992 door diverse Europese lidstaten is ondertekend. Hierin wordt gesteld dat het streven is archeologisch erfgoed in de bodem te beschermen en daarmee te behouden. Om dit te kunnen doen moet archeologisch erfgoed ingepast worden in de ruimtelijke ordening. Een ander uitgangspunt is dat indien behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is, de verstoorder onderzoek naar de archeologische waarden moet betalen. In de praktijk zijn dit de kosten voor de archeologische monumentenzorg cyclus (AMZ-cyclus).

Wet op de archeologische monumentenzorg

Met de invoering van de Wamz werden gemeenten verplicht om archeologiebeleid te ontwikkelen omdat artikel 38a van de Monumentenwet 1988 bepaalde dat de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond rekening houdt met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Met invoering van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2008) werd de archeologie definitief verankerd in de ruimtelijke ordening. Bepaald werd dat gemeenten na maximaal tien jaar een bestemmingsplan moeten herzien of vernieuwen (daarbij rekening houdend met de archeologie op grond van de Monumentenwet 1988). Onderdeel van de Wro is ook dat alle ruimtelijke plannen digitaal beschikbaar moeten zijn (algemene digitaliseringsverplichting). Sinds 1 juli 2008 kunnen de digitale plannen worden geraadpleegd via ruimtelijkeplannen.nl.

Wet ruimtelijke ordening

Ruimtelijke plannen

Op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010) zijn burgemeester en wethouders bevoegd gezag in het kader van de omgevingsvergunning. Op grond van de Ontgrondingenwet zijn Gedeputeerde Staten bevoegd gezag in het kader van de ontgrondingsvergunning, voor andere gronden dan bij ministeriële regeling aan te wijzen rijkswateren. De minister van Infrastructuur en Waterstaat is bevoegd gezag ten aanzien van de bodem en oevers van rijkswateren op grond van de Waterwet.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Ontgrondingenwet

Waterwet

Ook het Rijk en de provincies hebben op basis van de Wro de bevoegdheid om bestemmingsplannen te maken. In die situaties wordt in de Wro gesproken van inpassingsplannen. Met dit instrument kunnen de nationale en/of provinciale belangen ruimtelijk vastgelegd worden. Het rijksinpassingsplan (RIP) of provinciaal inpassingsplan (PIP) maakt na vaststelling deel uit van het bestemmingsplan (of de bestemmingsplannen) waarop het plangebied betrekking heeft.

Cultureel erfgoed is een van de belangen binnen de nieuwe Omgevingswet. Cultureel erfgoed in de zin van de Omgevingswet is beperkt tot cultureel erfgoed als bedoeld in de Erfgoedwet, dat relevant is voor de fysieke leefomgeving. De regelgeving over het behoud en beheer van erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. De Omgevingswet bundelt de wetgeving en de regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Daarmee vormt de wet de basis voor de samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Het gaat om de balans tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving, met het oog op een duurzame ontwikkeling. De Omgevingswet beoogt een integrale afweging van diverse belangen. Het doel is om tot een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit te komen.

Omgevingswet, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

Erfgoedwet, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed<

Erfgoedbeleid rijk

Het beleid van het Rijk ten aanzien van onroerend erfgoed is vervat in Visie Erfgoed en Ruimte 'Kiezen voor karakter' (2011) en de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR, 2012). Beide visies zijn complementair aan elkaar. In juni 2018 heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de Tweede Kamer de brief 'Erfgoed Telt; de betekenis van erfgoed voor de samenleving' aangeboden. Deze brief is een nadere uitwerking van het erfgoedbeleid. In dit beleid legt het kabinet de nadruk op instandhouding en herbestemming, de leefomgeving en de verbindende kracht van erfgoed.

In de Visie Erfgoed en Ruimte 'Kiezen voor karakter' (2011) richt het Rijk zich op het verbinden van cultureel erfgoed met ruimtelijke, economische, duurzaamheids- en veiligheidsopgaven. In de beleidsnota zijn door het Rijk vijf prioriteiten gedefinieerd in zijn gebiedsgericht erfgoedbeleid:

  • werelderfgoed: samenhang borgen, uitstraling vergroten;
  • eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren;
  • herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: focus op groei en krimp;
  • levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie, ecologie;
  • wederopbouw: tonen van een tijdperk.

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed geeft uitvoering aan deze beleidsnota. Het programma Visie Erfgoed en Ruimte is een voorbereiding op de invoering van de Omgevingswet in 2021. In deze wet wordt onder meer de zorg voor cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving integraal geregeld.

Kiezen voor karakter (visie erfgoed en ruimte)

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR, 2012) wordt ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kernkwaliteiten gedefinieerd als nationaal belang. Het Rijk is verantwoordelijk voor het cultureel en natuurlijk UNESCO-werelderfgoed (inclusief de voorlopige lijst), kenmerkende stads- en dorpsgezichten, rijksmonumenten en cultuurhistorische waarden in of op de zeebodem. Voor de periode 1940-1965 zijn dertig 'wederopbouwgebieden' geselecteerd die gezamenlijk de maatschappelijke dynamiek van de Wederopbouw van ons land na de Tweede Wereldoorlog verbeelden. Het Rijk zet in op bestuurlijke afspraken met gemeenten over een ontwikkelingsgerichte bescherming in bestemmingsplannen van deze wederopbouwgebieden. Op basis van landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten heeft het Rijk in het verleden een selectie gemaakt van twintig 'Nationale landschappen'. Het Rijk laat het beleid ten aanzien van landschap op land over aan provincies en wil provincies meer ruimte geven bij de afweging tussen verstedelijking en landschap, om zo meer ruimte te laten voor regionaal maatwerk.

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Met de beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft de rijksoverheid in 2009 een koerswijziging ingezet voor de monumentenzorg: van een objectgericht beleid gericht op behoud naar een gebiedsgericht en ontwikkelingsgericht beleid. De modernisering van de monumentenzorg heeft drie pijlers:

  • cultuurhistorische belangen meewegen in de ruimtelijke ordening;
  • krachtiger en eenvoudiger regelgeving;
  • bevorderen van herbestemming.

Het instrumentarium voor het meewegen van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening zijn de structuurvisies en de bestemmingsplannen.

De MoMo heeft op 1 januari 2012 geresulteerd in aanpassing van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en van de Monumentenwet.

De Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2012 heeft veel in positieve zin veranderd in de Nederlandse erfgoedzorg. Maar de tijd staat niet stil en het is van belang te bezien of het erfgoedbeleid met de bijbehorende instrumenten nog steeds voldoet aan de eisen van deze tijd, mee kan bewegen met trends en ontwikkelingen, en toekomstbestendig is. De regelgeving is eenvoudiger geworden en biedt meer ruimte voor de eigenaar. Het grootste deel van de rijksmonumenten staat er goed bij en er is een verandering in focus van restaureren naar beheer en gebruik. Er is ook volop aandacht voor herbestemming van monumentale gebouwen. Daarnaast is het inmiddels vanzelfsprekend dat bij gebiedsontwikkelingen rekening wordt gehouden met erfgoed. Gemeenten en provincies nemen hun verantwoordelijkheid en het monumentenveld professionaliseert. De toekomstige Omgevingswet zal tot een meer ontwikkelingsgerichte manier van werken leiden en tot verdere integratie van erfgoed met andere sectoren, zoals water, natuur, milieu, en infrastructuur. Alle overheden moeten een omgevingsvisie opstellen waar cultureel erfgoed een verplicht onderdeel van uitmaakt. Daarnaast is er het gegeven dat burgers een grote betrokkenheid bij erfgoed voelen, het willen beleven en ervaren, en er is steeds minder afstand tussen de erfgoedspecialist en de monumenteigenaar.

In juni 2018 heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de Tweede Kamer de brief 'Erfgoed Telt; de betekenis van erfgoed voor de samenleving' aangeboden. Deze brief is een nadere uitwerking van het erfgoedbeleid. Doel van Erfgoed Telt is een toekomstbestendig erfgoedbeleid, waarbij rekening moest worden gehouden met actuele ontwikkelingen zoals de komst van de Omgevingswet, de verduurzamingsopgave en de leegstand van bepaalde categorieën monumenten. De brief gaat uit van drie pijlers voor de erfgoedzorg van de toekomst:

  • de instandhouding van het erfgoed voor huidige en toekomstige generaties;
  • het positioneren van erfgoed in de leefomgeving; en
  • aandacht voor de verbindende kracht - de sociale en maatschappelijke waarde - van het erfgoed.

Beleidsbrief Erfgoed telt. De betekenis van erfgoed voor de samenleving

In 2018 heeft het Rijk 34 miljoen euro gereserveerd voor de restauratie van (grote) rijksmonumenten, molens en mobiele erfgoederen. Het geld is verdeeld over 27 projecten. Eén van de gehonoreerde projecten is de restauratie van het Waterloopbos in Marknesse. Het Waterloopbos is een waterloopkundig laboratorium, bestaande uit waterlopen en schaalmodellen van waterwerken in een bos, met inlaat aan het Vollenhovense kanaal.

Erfgoed telt (rijksoverheid)

De toestand van de archeologie in de ondergrond van Schokland en omgeving als Word Heritage site wordt systematisch gemonitord. Het ministerie van OCW trekt vanaf 2018 twaalf miljoen euro uit om archeologische vindplaatsen rond Schokland in stand te houden. Deze archeologische resten worden bedreigd door daling van de bodem en agrarische activiteiten. Ook provincie Flevoland, gemeente Noordoostpolder, Flevo-landschap en waterschap Zuiderzeeland dragen samen 14,6 miljoen euro bij aan het project.

Schokland UNESCO World Heritage site, 3rd monitoring round (RAM 207)

Miljoenen voor bescherming archeologische vindplaatsen op werelderfgoed Schokland

Steunpunt Archeologie en jonge Monumenten Flevoland