Archeologie

Direct naar:
Voorraad archeologie
Onderzoek
Rivierduingebied Swifterbant
Onderzoek in kader van veroorzakerprincipe
Opgraving N23
IFMAF
Onderzoek naar degradatieproces scheepswrakken

Voorraad archeologie
De archeologische voorraad heeft betrekking op Unesco Werelderfgoed, wettelijk beschermde terreinen, AMK-terreinen, PArK'en en archeologische waarnemingen en vondstmeldingen.

Het voormalig Zuiderzee-eiland Schokland is opgenomen in de lijst van Unesco Werelderfgoederen. In fig. 2 zijn de AMK-terreinen in Flevoland opgenomen. De PArK'en omvatten de volgende gebieden: omgeving Kuinderschans en Kuinderburcht, Urk en omgeving, Schokland en het Rivierduingebied Swifterbant. De provincie telt de volgende rijksmonumenten archeologie:

1)  Kuinderbos (kavel M131-133 Noordoostpolder);
2)  Kuinderburcht (Noordoostpolder);
3)  de Zuidert (terp Schokland);
4)  Middelbuurt (Schokland);
5)  Ens (terp Schokland);
6)  Oud-Emmeloord (terp Schokland);
7)  Ens (kavel P13/14 Schokland);
8)  Gruttotocht (kavel ZG 81 Zeewolde);
9)  Gruttotocht (kavel ZG 81 Almere Hout);
10) Vogelweg (kavel ZG 80 Almere Hout);
11) Kathedralenpad (Almere);
12) en Kluutweg (kavel ZK 51 Almere Hout).  

Voor een overzicht van archeologische vindplaatsen per gemeente is door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed de database Archis opgezet. Gemeenten hebben via het Steunpunt toegang tot de vindplaatsen binnen de eigen gemeente.

De potentiële voorraad archeologie van de provincie is onder andere gebaseerd op de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden. Op de IKAW zijn de potentiële woongebieden van prehistorische bewoners van Flevoland aangegeven; de plaatsen die hoog genoeg gelegen waren om bewoonbaar te zijn. De gemeenten Noordoostpolder, Dronten, Lelystad en Zeewolde hebben onder meer op basis van de IKAW 2 archeologische verwachtingskaarten laten maken. Gebieden die wel potentieel bewoonbaar waren, maar door latere erosie zijn aangetast, hebben bijvoorbeeld een lage archeologische verwachting gekregen.

De terrestrische archeologische vondsten van Flevoland worden bewaard en beheerd in het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten, een onderdeel van Nieuw Land. Het aantal vondstendozen bedraagt momenteel 1.050: 26 stellingen met vijf planken per stelling in het anorganisch depot en tien stellingen met vijf planken per stelling in het organisch depot. Vondstmeldingen en schenkingen aan het depot worden door de depotbeheerder jaarlijks gedaan in het Cultuur Historisch Jaarboek voor Flevoland, een uitgave van Nieuw Land. Elke maand is er een Archeologisch Spreekuur en worden mensen in gelegenheid gesteld vondsten te tonen.

Scheepsarcheologische vondsten worden gedeponeerd in het Nationaal Scheepsarcheologisch Depot van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (zie hoofdstuk 2 Erfgoedinfrastructuur van Flevoland). 

Onderzoek
Over het archeologische en scheepsarcheologische onderzoek wordt onder meer gepubliceerd in het hierboven reeds genoemde Cultuur Historisch Jaarboek voor Flevoland. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft op de rivierduinen in het stroomgebied van de IJssel en de Vecht monitorings- en degradatieonderzoek verricht. 

Rivierduingebied Swifterbant
In 2004 is vanuit het Groninger Instituut voor Archeologie van de Rijksuniversiteit Groningen het archeologisch onderzoek van het Swifterbantgebied opnieuw ter hand genomen. In de eerste periode van 2004 tot en met 2007 richtte het onderzoek zich op de vindplaatsen langs kreeksystemen (vindplaatsen S2 en S4). In 2006 is een kinderskelet aangetroffen en in 2007 is een zeer opzienbarende ontdekking is gedaan: voor het eerst zijn 'hak akkersporen' aangetroffen, waardoor nu onomstotelijk vaststaat dat de bewoners van de oeverwallen niet alleen jagers en verzamelaars waren, maar ook graan hebben verbouwd. In 2008 is de aandacht in het onderzoek verschoven naar archeologische bewoningssporen langs de randen van rivierduinen. Booronderzoek heeft nieuwe, tot dan toe onbekende, kreeksystemen opgeleverd. Een bijzondere ontdekking in 2009 waren scherven van vroeg Trechterbekermateriaal. Het onderzoek daarnaar is nog in volle gang. 

Onderzoek in kader van veroorzakerprincipe (Malta-archeologie)
In 2010 is onder meer langs de Nagelerweg in het stroomgebied van de Vecht met oeverwallen een proefsleuvenonderzoek verricht door het ADC op de locatie van het nieuwe gasleidingstracé. Dit onderzoek heeft niets opgeleverd. In het kader van de aanleg van de Hanzelijn is uitgebreid vooronderzoek gedaan in het tracé van de Hanzelijn.

Opgraving N23
Vooronderzoek in het tracé van de N23 tussen Dronten en Lelystad, de verbinding tussen Alkmaar en Zwolle, heeft in 2008 ten zuiden van Swifterbant, archeologische resten opgeleverd in de vorm van vuursteensplinters en houtskool. De resten wezen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats uit het Mesolithicum, gelegen op een paraboolduin. De vindplaats werd gekwalificeerd als behoudenswaardig en zou dus moeten worden opgegraven of worden uitgespaard in het tracé. De provincie heeft in 2009 een keuze gemaakt voor de eerste optie.

Van juni tot november 2010 werkten archeologen aan de Bisonweg bij Swifterbant (gemeente Dronten) aan een bijzondere opgraving. Ter hoogte van de toekomstige op- en afritten van de N23 lag op zo'n drie meter onder maaiveld een oude duintop, verborgen onder het veen en luchtdicht afgesloten onder het grondwaterniveau. Op zich niet wereldschokkend, want hoe het landschap er in die tijd uitzag, was bekend. Maar juist op deze duintop hebben ongeveer 7000 v. Chr. (de tijd van de jager-verzamelaars) al mensen gekampeerd, vuurtjes gestookt, vuurstenen werktuigen gemaakt en hazelnoten gegeten.

IFMAF
In 2007 is door de IFMAF archeologisch onderzoek verricht naar een scheepswrak op kavel NB36. Doel van het onderzoek was meer kennis verzamelen van het wrak en van de aantasting van het scheepshout. Tevens diende het veldwerk als pilot vooruitlopend op het in 2008 officieel van start gaan van de IFMAF. Dendrochronologisch onderzoek heeft uitgewezen dat het hout voor de bouw van het schip is gekapt in 1476 in het Baltische gebied. Het wrak lag ondersteboven in de zeebodem en heeft een overnaadse scheepshuid. De overlappende planken zijn met ijzeren klinknagels vastgezet. De onderzoeksresultaten zijn verwerkt in meerdere publicaties. In het verslagjaar is tevens een bezoek gebracht aan de nieuwe vondst van een scheepswrak aan de Runderweg, te Lelystad.

De veldschool is in 2008 voortgezet met het onderzoek naar een kogge uit de veertiende eeuw bij Emmeloord (kavel NM 107). Met het veldwerk ging de IFMAF officieel van start.

Met het Archeologisch Dienstencentrum is in samenwerking met Groundtracer bv en Nieuw Land een pilot-project uitgevoerd met een groundtracer. Er is een proef gedaan om te onderzoeken of een van te voren bekende locatie van een scheepswrak kon worden opgespoord. De ligging van een wrak op kavel P 37-II kon inderdaad in de ondergrond worden vastgesteld aan de hand van een combinatie van radar- en tracerdata. Dit project krijgt een vervolg in 2011 in het kader van het cultuurconvenant (2004-2008) tussen het Rijk en de provincie Flevoland.

De IFMAF bezoekt nieuwe vindplaatsen van scheepswrakken en verzorgt elk jaar een veldschool waarbij studenten Scheepsarcheologie en beginnende scheepsarcheologen uit alle windstreken mee kunnen werken aan de opgraving van een scheepswrak in Flevoland. Doel van deze internationale veldschool is:

- opleiden van studenten in het kader van de IFMAF;
- wetenschappelijk onderzoek: het verzamelen van informatie over het wrak (constructiedetails, inventaris, lading, datering, type, afmetingen);
- waarderend onderzoek: het verzamelen van informatie over (de compleetheid van) wrak, inventaris en lading.

De nog aanwezige scheepswrakken in Flevolandse bodem bestaan voor het merendeel uit organisch materiaal, in dit geval hout. Houten artefacten maken een uiterst kwetsbaar onderdeel uit van het bodemarchief. Zolang hout onder water ligt is het relatief goed beschermd. Zo gauw archeologisch hout aan zuurstof wordt blootgesteld, start een degradatieproces dat in snel tempo het hout tot stof uiteen doet vallen.

Onderzoek naar degradatieproces scheepswrakken
De inrichting van het nieuwe land vormt een onmiddellijke bedreiging voor de scheepswrakken die nu nog in de bodem liggen. Voor de agrarische bedrijfsvoering wordt een grondwaterpeil gehanteerd dat met de archeologie geen rekening houdt. Het gevolg is dat scheepshout boven het grondwaterpeil uitsteekt en verrot. Een tweede minstens even desastreus aspect van de verlaging van de grondwaterstand, is de inklinking van de bodem. Scheepswrakken die op de vaste ondergrond liggen komen daardoor steeds ondieper in de bodem te liggen en worden bij machinale grondbewerking (ploegen) geraakt. Bij verkenningen die in het afgelopen decennium zijn uitgevoerd op scheepswrakken bleek dat de bovenkant van het merendeel van deze wrakken tot tegen de bouwvoor reikt. Bij het jaarlijkse ploegen wordt telkens een stuk van de bovenkant van de wrakken aangetast. De combinatie van grondwaterpeilverlaging, inklinking en ploegen leidt tot een zeer snelle vernietiging van dit in alle opzichten voor Nederland typerende en unieke erfgoed. Van een directe verstoorder in de zin van Malta is geen sprake (of het zou het Zuiderzeeproject moeten zijn, maar dat is afgesloten).

Om dit sluipende degradatieproces tegen te gaan zijn op een aantal vindplaatsen van scheepswrakken beschermende maatregelen getroffen. Achttien wrakken zijn in het veld geconserveerd, terwijl zestien wrakken zijn toegedekt met een laag grond. Veldconservering houdt in dat de grondwaterstand kunstmatig is verhoogd door het aanbrengen van een terp en plastic scherm rond het wrak. Regenwater dat van bovenaf instroomt kan niet zijdelings wegvloeien zodat het scheepswrak ter plaatse onder water staat. Voorwaarde is dat de ondergrond niet of in geringe mate waterdoorlatend is.

In 2007 is de fysieke toestand van scheepshout van twee scheepswrakken in Almere Poort onderzocht. Het ene is toegedekt; het andere ingekuild (veldconservering). De houtkwaliteit van het toegedekte wrak is bovenin slecht (volledig verwoeste houtstructuur) en dieper, onderin het schip goed. Dit hangt samen met de fluctuerende grondwaterstand aan de bovenkant van het wrak. Vermoedelijk zakt de grondwaterstand enkele keren per jaar tot op het niveau van het scheepshout. De aantasting is bacterieel, van schimmelvorming is geen sprake. Hetzelfde geldt voor de houtkwaliteit van het ingekuilde wrak: de hoge delen zijn volledig aangetast, terwijl de diepere delen, die volledig en continu onder de grondwaterspiegel liggen niet door bacteriën zijn aangetast. De vraag is of de aantasting mogelijk voor het inkuilen heeft plaatsgevonden. In 2007 zijn eveneens monsters onderzocht van een scheepswrak op kavel NB36 nabij Creil in de Noordoostpolder. Op deze vindplaats zijn geen conserverende maatregelen genomen. Hetzelfde beeld komt naar voren: de bovenste delen (rond de grondwaterstand) zijn sterk aangetast door bacteriële inwerking, terwijl de dieper geleden delen (onder het grondwater) in een goede conserveringsconditie verkeren. Met dien verstande dat van het monster alleen de buitenkant door bacteriën is aangetast.

Steunpunt Archeologie en jonge Monumenten Flevoland