Welkom op de website van het Steunpunt voor Archeologie en (jonge) Monumenten in Flevoland. Het steunpunt is in 2008 opgericht en adviseert de Flevolandse gemeenten bij hun erfgoedtaken.

Lees op deze website wat het steunpunt voor u kan betekenen. Rechts vindt u informatie over het (Flevolandse) erfgoed en de wetgeving.

Deze jonge archeoloog deed na jaren graafwerk de ontdekking van zijn leven in... Flevoland!

29 nov. 2020

Archeoloog Yftinus van Popta (34) deed in de Noordoostpolder de ontdekking van zijn leven. Geleid door mysterieuze stipjes op oude landkaarten en uitputtend graafwerk in archieven vond hij de weg naar vier verdronken dorpen. Hoe ging hij te werk, wat was de rol van detritus en hoe schokkend is zijn ontdekking voor Urk?

Urk, Schokland, Marken, Pampus en Wieringen. Aan het lijstje met voormalige eilanden in de Zuiderzee kunnen dankzij maritiem archeoloog Yftinus van Popta de namen van Marcnesse en Nagele worden toegevoegd. De 34-jarige Groningse archeoloog onderzocht vijf jaar lang hoe de huidige Noordoostpolder er tussen 1100 en 1400 uitzag, voordat de Zuiderzee er tekeer ging en en alles veranderde.

Dit is het verhaal van een zoektocht naar die middeleeuwse dorpen, door landkaarten vol stippen, middeleeuwse oorkonden en een heel klein beetje graafwerk in de Flevolandse polder.

 

Grote papieren landkaart

,,Een grote papieren landkaart uit de jaren 50 van de Noordoostpolder, vol met stipjes in verschillende kleuren en kleine zinnetjes en aanwijzingen. Die kaart trok mijn aandacht, het was het eerste moment waarop ik de  verdronken dorpen op het spoor kwam'', vertelt Yftinus van Popta.

Maritiem archeoloog Yftinus van Popta deed in de Flevolandse polder de ontdekking van z'n leven.

De afgelopen vijf jaar deed hij onderzoek naar hoe het landschap van de huidige Noordoostpolder er tussen 1100 en 1400 uitzag. Hij ontdekt de locaties van de eilanden Marcnesse en Nagele, en van de dorpen Fenehuysen 1 en 2 die ten zuidwesten van het huidige Kuinre lagen. Vorige maand promoveerde Van Popta aan de Rijksuniversiteit Groningen.

 

Toen ik zag wat voor soort materiaal er is gevonden dacht ik 'hier moet iets mee gedaan wordenYftinus van Popta, archeoloog

Het is 2012 als de jonge archeoloog door het collectie- en kenniscentrum Batavialand in Lelystad loopt en de kaart ziet hangen. ,,De kaart is in de jaren 50 gemaakt door scheepsarcheoloog Gerrit Daniël van der Heide, hij deed onderzoek naar scheepswrakken. Voor elke aardewerkenscherf, stukje baksteen of dierlijk bot dat werd gevonden in de drooggelegde polder, zette hij een stipje op de kaart.''

,,Tijd om meer onderzoek te doen naar die archeologische vondsten had Van der Heide niet, hij werd overspoeld door scheepswrakken. Maar toen ik zag wat voor soort materiaal er is gevonden dacht ik 'hier moet iets mee gedaan worden, dit moet verder worden uitgezocht''', zegt Van Popta.

De kaart uit de jaren '50, gevuld met stipjes die scheepsarcheoloog Gerrit Daniël van der Heide maakte. De stipjes op de kaart geven de locaties aan waar archeologische vondsten zijn gedaan. Het zijn voor Yftinus van Popta de eerste aanwijzingen voor het bestaan van de verdronken dorpen.

De kaart uit de jaren '50, gevuld met stipjes die scheepsarcheoloog Gerrit Daniël van der Heide maakte. De stipjes op de kaart geven de locaties aan waar archeologische vondsten zijn gedaan. Het zijn voor Yftinus van Popta de eerste aanwijzingen voor het bestaan van de verdronken dorpen. © K. Blok

 

Scheepsafval?

De samenstelling van het archeologische materiaal zet Van Popta aan het denken. ,,Er werd altijd gedacht dat die vondsten niets anders waren dan scheepsafval. Maar vondsten als dierlijke botten, scherven en bakstenen worden gezien als restanten van nederzettingen, en niet als scheepsafval. Ook Van der Heide opperde wel eens dat het om nederzettingen zou kunnen gaan, maar er is nooit echt onderzoek naar gedaan.''

Dat doet Van Popta wel. Op paleogeografische kaarten (die geven inzicht in hoe een landschap er in het verleden uit moeten hebben gezien-red) van 800 na christus is de Zuiderzee al voor een groot deel ingetekend. ,,Terwijl archeologische vondsten uit die tijd wijzen op nederzettingen, op het bestaan van land dus. Naar mijn idee klopte die kaart uit 800 dus niet. De vraag is dan, hoe achterhaal je hoe het landschap er in de late middeleeuwen uitzag, terwijl de Zuiderzee de sporen voor een groot deel ervan heeft uitgewist?''

 

Belangrijke boekjes

Om er zeker van te zijn dat de archeoloog geen bewijs voor het bestaan van de dorpen laat liggen, verzamelt Van Popta alle meldingen van archeologische vondsten uit die periode in het gebied. Een belangrijke bron zijn de boekjes:  'Driemaandelijksch bericht betreffende de Zuiderzeewerken'. Hierin wordt verslag gedaan van de drooglegging van de polder.  ,,Ik heb tussen de 50 en 100 boekjes doorgespit in Lelystad, elke vondst heb ik overgenomen.''

Alle informatie zet de archeoloog via GIS, een geografisch informatiesysteem op nieuwe digitale kaarten. ,,Als je die kaarten laag voor laag, digitaal over elkaar heen legt, ontstaat er een overzichtskaart met alle archeologische vondsten uit de late middeleeuwen die er in de Noordoostpolder zijn gedaan.''

Na een dichtheidsanalyse komen zes locaties naar voren waar de dichtheid van de vondsten veel hoger is dan op andere plekken. ,,Dat waren de eerste aanwijzingen voor de locaties van de nederzettingen.''

 

Omgekeerde aanpak

Een gekleurde kaart met archeologische vondsten bewijst nog niet waar de dorpen precies lagen, laat staan hoe ze genoemd werden. Om dat uit te zoeken, besluit Van Popta het onderzoek over een radicaal andere boeg te gooien.

,,Normaal gesproken ga je uit van de geologie, waar bestaat de grond uit. Archeologische vondsten ondersteunen dan de bevindingen over de grond. Voor dit onderzoek hebben we de hele aanpak omgedraaid. We zijn uitgegaan van de archeologische vondsten in het gebied, en hebben dat aangevuld met geologie. We gingen er van uit dat daar waar dierlijke botten, bakstenen en scherven lagen, land moet zijn geweest.''

Voor die hypothese vindt de archeoloog wederom bewijs in een archief. ,,Tijdens de aanleg van sloten in de polder in de jaren 40, is van elk slootje opgeschreven uit welke lagen de grond bestaat. Tot een meter diep. Een schat aan informatie dus.''

Belangrijk voor het onderzoek was bijvoorbeeld de aanwezigheid van detritus in de bodem, een fijn plantaardig materiaal dat op de bodem van meren ontstaat. ,,De detritus die in de Noordoostpolder wordt aangetroffen, is ontstaan in de Romeinse tijd, het begin van de jaartelling. En soms nog eerder. Op plekken waar detritus in de grond zit, kunnen we er van uit gaan dat daar al voor de middeleeuwen open water was. En wat bleek, op de vermoedelijke plekken van de verdronken dorpen, lag dat spul niet.''

 

'Echt mooi'

En dan vindt Van Popta een getekende kaart uit de 16e eeuw van het gebied. Er klinkt enthousiasme door in zijn stem als hij over dat moment vertelt.

,,Op de plek waar ik dacht dat Fenehuysen moet hebben gelegen, ontdekte ik op de kaart een kektoren in het water. Nou dan wordt het echt mooi, als dingen op elkaar afgestemd worden. En op een kaart uit 1570 was boven het eiland Urk een zandplaat getekend waar het woord 'hofstee' bij stond. Hofstee is een ander woord voor huis. Op het moment dat een zandplaat hofstee heet, dan ga je denken dat het een verwijzing is naar een stukje verdronken land. Blijkbaar wist men dat er een huis heeft gestaan. Allemaal kleine details, die je nodig hebt.''

 

Marcnesse en Nagele

De plaatsnamen Nagele en Marcnesse vindt Van Popta in het archief in Leeuwarden, in middeleeuwse oorkonden geschreven door monniken uit Friesland. ,,Ze beschreven hoe ze vanuit Friesland en Overijssel vanaf Kuinre het Zuiderzeegebied ingingen, de volgorde waarin ze de plaatsnamen benoemen is belangrijk, het zegt iets over de ligging van de nederzettingen.''

 

Archeoloog zonder schep?

Na al het digitale en papieren spitwerk, zet de maritiem archeoloog in de zomer van 2017 voor het eerst een schep in de grond. Dat doet hij in het Kuinderbos, op de plek waar ooit Fenehuysen moet hebben gelegen. ,,Het werd ook wel tijd als archeoloog om eens te gaan graven'', lacht Van Popta.

,,Op luchtfoto's uit 1947 en 1949 en hoogtekaarten van wat nu het Kuinderbos is, ontdekte ik allemaal lijntjes in het landschap. Die lijntjes zijn overblijfselen van greppels en slootjes uit de middeleeuwen, daar vonden we ook weer stukjes baksteen, botten, scherven. Wat je in jaren theoretisch hebt opgebouwd, zag ik daar terug in het Kuinderbos, het paste precies in het plaatje. Daar moet Fenehuysen hebben gelegen. Een schiereiland. Toen Fenehuysen 1 steeds verder opgeslokt werd door het zeewater, verhuisden de bewoners noordoostwaarts, vandaar de naam Fenehuysen 2.''

Uit het onderzoek van Van Popta blijkt dat het land tussen 1100 en 1400 veranderde van onontgonnen en onbewoond veengebied naar open zee. ,,De eerste bewoners waren boeren. Urkers zijn dus niet van oorsprong vissers, maar boeren. Het was een moeilijk gebied om in te leven, nat, minder geschikt voor akkerbouw. Dat maakte dat er handelaren het gebied in trokken. Kuinre werd een belangrijke plaats, net al later Hanzestad Kampen. De nederzettingen Marcnesse, Nagele en Fenehuysen verloren uiteindelijk de strijd tegen het water. Een strijd die we nu ook nog steeds voeren.''

 

Verdronken dorpen terug in het landschap?

Van de dorpen Marcnesse, Nagele en Fenehuysen 1 en 2 is in de polder weinig meer te zien. Op de plek van het huidige Tollebeek moet ongeveer Nagele hebben gelegen. Het middeleeuwse Marcnesse lag schuin boven Urk. Alleen in het Kuinderbos zijn, voor het geoefende oog, sporen te zien van de greppels en slootjes die ooit door bewoners van Fenehuysen zijn gegraven.

Of er in de toekomst meer te zien is van dit stukje tot nog toe onbekend gebleven stukje geschiedenis van de Noordoostpolder, is nog te vroeg om te zeggen. Lokale overheden reageren enthousiast op de uitkomsten van het onderzoek van Yftinus van Popta.

De gemeente Noordoostpolder: ,,Wij zijn als gemeente enthousiast over de ontdekking van de vier verdronken dorpen. Het is een stukje van de geschiedenis dat 'boven water' komt. Het college van burgemeester en wethouders heeft Yftinus van Popta dan ook gevraagd om hen bij te praten over zijn ontdekking en een toelichting te geven op zijn promotieonderzoek. Daarna gaat het college onder andere met hem in gesprek over de betekenis van deze ontdekking voor Noordoostpolder. Het verrijkt hoe dan ook het verhaal van onze bijzondere ontstaansgeschiedenis.''

Provincie Flevoland: ,,Flevoland is een provincie met een rijke geschiedenis. Dat laat een onderzoek zoals van Yftinus en Popta duidelijk zien. Daar mogen we trots op zijn. Het verhaal van onze ontstaansgeschiedenis blijven we daarom ook met veel trots vertellen in alles wat we doen. Iedere initiatief uit de omgeving is daarin zeer welkom. Voor nu heeft de provincie Flevoland zelf geen verdere ontwikkelplannen op dit gebied.''

Een video, landkaarten en prachtige foto's zijn te zien op de website beneden.

Bron: https://www.destentor.nl/flevoland/deze-jonge-archeoloog-deed-na-jaren-graafwerk-de-ontdekking-van-zijn-leven-in-flevoland~ab4102e30/

Steunpunt Archeologie en jonge Monumenten Flevoland